Meditatie

Lezen:Mattheüs 2, 1 – 12 en Exodus 1

Onderstaand gedicht is geschreven bij één van de bijzondere kapitelen die te zien zijn in de kathedraal Saint Lazare te Autun in Bourgondië, Frankrijk. Veel van de kapitelen daar worden toegeschreven aan Gislebertus. Hij werkte er waarschijnlijk tussen 1120 en 1135 en zijn werk hoort tot het meest originele uit die periode. Op de afbeelding zien we hoe de engel met een wijsvinger de hand van één van de koningen aanraakt. De magiërs werden door Gislebertus dus als koningen afgebeeld en ook wij spreken meestal van de drie koningen, ook al komt dat woord in de evangelietekst hier niet voor. De ogen van deze aangeraakte koning staan ook open, de andere twee hebben hun ogen nog dicht. De ster is aan de balk boven het bed bevestigd.

Ook nu zijn er weer tirannen die het leven van kinderen en anderen bedreigen. Ook nu zijn veel families en anderen op de vlucht voor deze Herodessen. Dat er ook Russen zijn die hun eigen land nu ontvluchten omdat ze niet medeplichtig willen zijn aan de verschrikkelijke oorlog in Oekraïne, stemt bitterzoet. Ook zij zijn misschien in hun dromen door een engel aangeraakt.

Ik wens u allen een zalig, dan wel gezegend Kerstfeest toe en een heldere ster om ons op koers te houden in het nieuwe jaar.

DE SLAPENDE MAGIËRS                   

Bij het kapiteel: “Sommeil des mages”.

De koningen, drie in één bed:

hun kronen zelfs niet afgezet.

Al slapend hebben zij gewaakt,

zijn door een engel aangeraakt

en die zei: “Heren, opgelet!

Verkeerd staat weer Herodes’ pet,

voor ’t Kind spant hij nu snel zijn net …”

Toen zijn ze uit de droom ontwaakt,

de koningen.

En alle drie begrepen het.

Ze vroegen niet meer om belet

bij de tiran die, lichtgeraakt

een kreet van woede heeft geslaakt.

Zo hebben zij het kind gered,

de koningen.

Margriet Tevonderen. Uit: “Het Koninkrijk der Hemelen.”



Lezen:Mattheüs 1. En één of meer van de volgende Bijbelgedeelten: Genesis 38; Jozua 2; Ruth 3 en 4; 2 Samuël 11 – 12, 25.

In elk van de genoemde Bijbelgedeelten uit Tenach (het Oude Testament) wordt een verhaal verteld over één van de bijzondere vrouwen die door de evangelist Mattheüs worden genoemd in de geslachtslijst waarmee hij zijn evangelie begint. Als je de verhalen leest, wordt duidelijk dat de Bijbel open is over verschillende relaties die niet volgens de toen geldende zeden en gewoonten tot stand waren gekomen, maar waaruit wel personen waren voortgekomen die een belangrijke rol in de heilsgeschiedenis van Israël zouden spelen. Mattheüs sluit dus aan bij die openheid als hij de lijst van voorouders van Jozef: “Uit het huis van David” aan zijn lezers bekend maakt. Daarin worden slechts vier namen van vrouwen vermeld. Dat waren belangrijke voormoeders: eerst van koning David en via Jozef, de man van Maria, ook van Jezus. Stuk voor stuk krachtige vrouwen, van wie de levens bepaald niet rimpelloos verliepen. Zo kreeg Tamar een tweeling van haar schoonvader Juda door zich aan hem als prostituee voor te doen. Wat daar achter zat, leest u in Genesis 38. En daar is het Juda die er niet goed vanaf komt. Rachab was een prostituee op de wallen van Jericho. Hoe zij tot Israël ging behoren, staat beschreven in Jozua 2. Het verhaal van Ruth, de Moabitische kennen velen wel, en misschien is het verhaal van Bathseba ook wel bekend: een “Me too” verhaal waarin koning David probeerde zijn overspel met Bathseba en de gevolgen daarvan te verbloemen door de man van Bathseba naar het front te sturen en in de eerste linies te laten sneuvelen, waarna hij Bathseba tot vrouw nam.

Mattheüs maakte daarmee meteen duidelijk dat de Messias een mensenkind was, ingebed in een stamboom die hem tot één van ons maakte, omdat hij zo “weet” had van alles waartoe mensen in staat zijn. Het hoogste en het laagste. Om ons vervolgens op te roepen samen met deze Jezus de weg naar het Koninkrijk der Hemelen te willen gaan

PUBLIEK VERLEDEN

In ’t Israël van Mozes en profeten

was er bij vuile was niets aan de hand.

Men haalde die opzichtig uit de mand

als men van iemand d’ afkomst wilde weten.

Zo wordt hier in ’t begin breed uitgemeten

hoe Jezus afstamde, van Jozefs kant

van mensen met – wat heet – een rafelrand.

Dán werden vrouwen even niet vergeten …

Tamar en Rachab, Ruth en Bathseba:

oermoeders zijn zij alle vier geweest

en zaten zo in Jozefs DNA.

Verbazend, als je hun verhalen leest.

De klap voor Jozef zélf volgt nog daarna:

Maria zwanger. Blijkbaar uit de Geest.

Uit: “Het Koninkrijk der Hemelen. Margriet Tevonderen



Lezen: Lukas 18, 1 – 8; Exodus 22, 21 – 24; 1 Samuël 1, 12 – 17

In het katholieke milieu van mijn jeugd was het bij vriendinnetjes thuis niet ongebruikelijk om het gebed voor en na de maaltijd in te leiden met de uitnodiging van één der ouders: “Zullen we nu met ons allen de hemelpoort bestormen?”
Uiteraard met het doel om daar gehoord te worden, zoals ook Hanna destijds hoopte toen zij in de tempel van Silo zó vurig bad dat de priester Eli er
wat van kwam zeggen.
De paar verzen uit Exodus 20 geven aan waarom de rechter die Lukas beschrijft in hoofdstuk 18 zo verschrikkelijk fout zat.
Er wordt in Exodus met van alles gedreigd als je vreemdelingen en weduwen onderdrukt.
De weduwe had evenwel niet de luxe om op de uitvoering van die dreigementen vanuit de hemel te wachten en bonkte daarom zelf al voortdurend op de deur van het gerechtskantoor, want het leven van haar kinderen en haarzelf hing ervan af.
Met succes!

DOE MIJ RECHT!

De rechter was de schande van zijn stadje.

Zeer goddeloos en ook niet toegewijd

aan wat zijn taak toch was: gerechtigheid

bevorderen nietwaar? Welnee, geen spatje!

Maar weduwen in ’t nauw zijn echt geen katjes

die ongehandschoend men terzijde vlijt,

want voor hun kind’ren voeren zij de strijd.

De weduwe riep hem dus op het matje.

Niet één keer nee, zij keerde steeds terug

en vroeg hem telkens eind’lijk recht te spreken,

totdat de goddeloze man beducht

voor klappen werd … Toen was het snel bekeken.

Bid daarom steeds! Uiteind’lijk draagt het vrucht.

De hemelpoort is vaker zo bezweken.

Nawoord

Gedwaald van ’t rechte padje zorgde hij voor schandaal.

De humor in ’t verhaal: die rechter was een watje!

Uit: “Weefwerk”. Margriet Tevonderen



            Lezen: Lukas 16, 19-31; 1 Samuël 28; Jesaja 8, 19.

In mijn jeugd waren we in de ban van het boek: “De rijke vrek en de bedelaar”. Ik hoop dat het de juiste titel is, maar het was een boek voor de katholieke jeugd en het ging over dit verhaal van de arme Lazarus en de man van grote welstand. Het verhaal werd sappig beschreven en uiteindelijk stierf de rijke vrek door een overdosis avant la lettre, in de vorm van een te grote hoeveelheid van een drankje.

Ernstiger is het prachtige Gregoriaanse lied dat over deze Lazarus gaat en bekend staat als het “In Paradisum”. Het werd vroeger altijd gezongen aan het einde van een Rooms-katholieke uitvaartmis, als de overledene de kerk uitgedragen werd. In het nieuwe Liedboek is het opgenomen als lied 959a (in het Latijn) en 959b (een vertaling in het Nederlands, resp.  in het Fries). In het lied wordt de hoop uitgezongen dat de overledene evenals Lazarus door engelen weggedragen mag worden en eeuwige rust mag vinden. De vertalingen spreken niet van eeuwige rust, maar van het land van vrede. In mijn gedicht heb ik weer aangesloten bij het originele lied met de eeuwige rust, omdat die beter aansluit bij de Bijbeltekst. Maar ook is de sappige verteltrant van het kinderboek er wel in terug te vinden. 

BIJ HET VERHAAL VAN DE RIJKE VREK EN DE ARME LAZARUS

Naar Abraham was Lazarus gedragen
door engelen. Een soort van hemelvaart
die God slechts voor rechtvaardigen bewaart
en waar de Schriften zelden van gewagen.

Vanuit zijn graf hoort men de rijke klagen
terwijl het hellevuur hem langzaam gaart.
Toch voelt hij zich zelfs nu nog niet bezwaard
om Lazarus wat klussen op te dragen.

Dit wordt hem hard door Abraham verweten
die spreekt van kloof en wil er niets van horen
maar wijst naar Mozes en naar de Profeten.

De Schriften zijn voor ieder aan te boren
dus kan de halve gare het vergeten:
aan Lazarus is rust nu echt beschoren.

          

Uit: “Weefwerk”. Margriet Tevonderen.



Lezen: Lukas 4, 16–30; Numeri 14, 1–10 en Jesaja 42, 5–7

Dit evangeliegedeelte is een echt doorkijkje naar Tenach (het Oude testament) en heeft onder
andere de bedoeling om Jezus als een nieuwe Jozua te portretteren. Ze dragen overigens
dezelfde naam, Jezus is de Griekse vorm van de naam Jozua. Jozua was één van de
verkenners geweest die het land Kanaän hadden verkend en die het, samen met Kaleb, als een
goed land had beoordeeld. De andere verkenners zagen juist allerlei gevaren en dat leidde tot
gemor onder het volk en tot het besluit Jozua en Kaleb te stenigen. Om iemand effectief te
kunnen stenigen was het gebruikelijk diegene van een klif te storten en daarna de stenen op
hem/haar neer te laten dalen. Daarom vertelt Lukas in zijn verhaal over Jezus die in Nazareth
op grote weerstand stuitte, dat Jezus naar de berg of klif werd geleid “waarop hun stad
gebouwd was”. Maar Nazareth ligt helemaal niet op een berg of klif! Lukas verzint die hoogte
gewoon om zijn verhaal zo te kunnen vertellen dat de hoorders van toen gemakkelijk de
verbinding met Jozua konden gaan leggen. Geen van beiden werd uiteindelijk gestenigd, omdat
er beide keren iets dwingends was dat dit verhinderde. Lukas legde die verbinding tussen Jezus
en Jozua overigens om de Zeloten de wind uit de zeilen te nemen. De Zeloten (ik heb ze ook
eerder al genoemd) beriepen zich op generaal Jozua om hun eigen gewelddadige strijd tegen
de Romeinen te rechtvaardigen. Lukas koos daarom juist die gedeelten over Jozua waarin hij geweldloos en dienstbaar was.
Als een Knecht van de ENE die ook van volkswoede en vervolging te duchten had gehad.

Nazareth
In Nazareth werd Jezus eerst geprezen

om zijn programma dat hij daar liet zien.

Dat was er goed bekend al bovendien:

had hij ’t niet uit Jesaja voorgelezen?


Maar ’t kan verkeren, zeg ik wel bij dezen,

de volksgunst telt slechts zelden eerst tot tien

vóórdat ie zich als twitteraar aandient

in woede die er plots dan blijkt gerezen.


Ook Jozua, na diens verkenningstocht

door ’t land kreeg daarmee eerder al te maken,

voor beiden werd naar steniging gezocht.


Maar op de klif moest men die poging staken.

Iets onverzett’ lijks was daar, dat vermocht

hen te verhind’ ren dezen aan te raken.


Uit: “Weefwerk”. Margriet Tevonderen.



Rondeel voor Pinksteren 2022 bij Handelingen 2, 1 – 13 en Genesis 11, 1-9

Omdat het Pinksterverhaal niet in het evangelie van Lukas voorkomt, staat er ook geen gedicht over Pinksteren in de bundel “Weefwerk”. Maar in het boek Handelingen der Apostelen staat dat mooie verhaal wél, over de Pinksterochtend met het zogeheten talenwonder. En dat boek is ook door Lukas geschreven, als vervolg op zijn evangelie.

Door de kracht van de heilige Geest hoorden de toegestroomde joden uit alle toen bekende landen onder de zon de leerlingen van Jezus in de eigen taal spreken over “de grote werken van God”. Ik moest toen ik aan deze meditatie werkte, denken aan president Zelenski van Oekraïne, die allerlei parlementen toesprak: elk in de eigen taal. Dat wil zeggen: hij sprak in het Oekraïens en zijn toespraak werd vertaald, maar hij had zich steeds grondig verdiept in de geschiedenis of in het heden van het betreffende land en met die kennis hield hij elk land een spiegel voor: wij zijn als jullie en wij hebben jullie hulp nu nodig om te kunnen overleven. Hij maakte ons tot familie en bracht ons zo dichter bij elkaar. Zoiets stel ik me ook voor bij dat Pinkstergebeuren toen in Jeruzalem. Hierbij het gedicht dat ik voor dit Pinksternummer van het kerkblad van It Keningsfjild maakte.

PINKSTEREN

Eén zelfde taal voor allemaal.
Die viel uiteen met het verhaal
over de bouw van Babels toren.
Het kon de ENE niet bekoren,
dat bouwsel tot de hemelzaal.

Daarom is God toen neergedaald
en klonk er enkel nog kabaal.
De samenhang was al verloren.
Eén zelfde taal?

Met Pinksteren weer opgeschaald
tot taal der liefde. Wég de kwaal
van elk voor zich! Elkaar weer horen
met Gods Tora in hart en oren.
De Geest als tolk voor ’t volk dat straalt.
Eén zelfde taal!

Margriet Tevonderen



Lezen: Lukas 24, 36 – 53 en Genesis 5, 15 – 24

De hemelvaart van Jezus was uitzonderlijk, maar in de geschriften van Israël niet uniek. Zo werd de oudvader Henoch op relatief jonge leeftijd ( 365 jaar werd hij maar … en vergelijk dat eens met zijn zoon Methusalach die 969 jaar werd!) al wandelend met God opgenomen. Wandelen met God betekent dat je je aan Gods geboden houdt en daarmee een “rechtvaardige” bent. Ook Elia werd in de hemel opgenomen. Dat ging met veel visuele effecten gepaard en staat de lezen in 2 Koningen 2, 1 – 14.
Het gedichtje over Henoch is gegoten in de vorm van een Rederijkersrondeel waarin de eerste twee regels of alleen de eerste regel op vaste plekken terugkeren.

Henoch
Die wil wand’ len met de ENE
houdt steeds de geboden aan –
ied’ re dag en moet het menen
die wil wand’ len met de ENE.
Henoch was opeens verdwenen,
mocht zo naar de hemel gaan!
Die wil wand’ len met de ENE
houdt steeds de geboden aan.               Uit: “Weefwerk, Margriet Tevonderen.

 

De hemelvaart van Jezus wordt aan het einde van het Lukasevangelie ook veel soberder beschreven dan in het eerste hoofdstuk van zijn boek Handelingen der Apostelen. Ik houd me hier aan de versie van zijn evangelie. Omdat ik daar geen gedicht van heb staan in “Weefwerk”, heb ik het onderstaande gedichtje nu voor deze uitgave van het kerkblad gemaakt. Ook in dezelfde vorm van het korte rederijkersrondeel. In dit gedichtje benadruk ik de woorden van Jezus zelf dat zijn afscheid niet betekent dat hij niet meer “meedoet”, zogezegd. Hij is nog wel degelijk te vinden en te ontmoeten: in de geschriften van Tenach, die de Wet, de Profeten en de Psalmen omvatten. Uiteraard ook in de evangeliën, maar die werden na de hemelvaart van Jezus pas geschreven. En het zou een vergissing zijn te denken dat de evangeliën die hele Tenach vervolgens overbodig hebben gemaakt. Het is juist in het steeds terugkeren naar Tenach dat we de weg die Jezus ging op echte waarde leren schatten. Hij gaf er vlees en bloed aan en gaf er zijn vlees en bloed uiteindelijk ook voor. Daarom kreeg hij die hemelvaart ook. Net als o.a. Henoch werd hij opgenomen. De ultieme onderscheiding vanuit de hemel.

Jezus
In de Wet en de Profeten
en de Psalmen vind je mij.
Zoek wat jij van mij wilt weten
in de Wet en de Profeten.
Wil die woorden niet vergeten,
doe ze, want ze maken vrij.
In de Wet en de Profeten
en de Psalmen vind je mij.



Yn dizze tiid fan it jier kin it betiden noch sa tsjuster wêze en no foaral omdat wy net by inoar komme yn tsjerke. En dan is der langstme, langstme nei ljocht en langstme nei it moetsjen fan inoar.

Yn lyts ferbân soe dat sa no en dan noch kinne salang as wy fersichtich binne. Mar wannear kinne de tsjerkedoarren wer iepen? Us lytse beppesizzer wol wer  graach nei de ‘kinderkerk’ sa’t hy de kerk op schoot diensten neamt.
“Beppe, wannear hawwe wy wer ‘kinderkerk?” Ek by him is der dus langstme.

Dochs moatte wy útsjen bliuwe nei bettere tiden. Bûten wurde de dagen al wer langer en yn de berte fan Jezus is der in Ljocht yn’e wrâld opgien dat nea wer útgean sil. Eltse snein wurdt de Peaskekears wer oanstutten yn tsjerke, ek al sitte der hast gjin minsken, it Peaskefjoer baarnt. Dêr meie wy krêft út helje, dat mei ek ús dagen ljochter meitsje. Noch sterker: wy meie ljochtdragers wêze fan dat fjoer. En sa inoar bemoedigje. Inoar ekjes skilje of opsykje. Net de moedfearren hingje litte.

Dêrom wol ik in gedicht fan Sytze de Vries, “Wij zijn Gods kandelaar” mei jimme diele (frij oerset):

Wy binne God’s kantler

Wy steane yn it ljocht,
it genedige ljocht fan’e moarntiid.
Wy fange it ljocht.
It mei strielje út ús eagen,
it makket ús tinken hoopfol.
Wy wurde ta kantlers
fan dit ljocht,
werhelje Gods earste wurd.

Wêr’t wy dit ljocht
heachhâlde en ferspriede
sil de skiere dizze ferdwine,
wurde kontoeren wer sichtber,
krije minsken wer kleur.

Wêr’t wy dit ljocht 
oanstekke, oanwakkerje,
sil de hope groeie, dei by dei.

Sa sjocht de himel de ierde graach:
yn Syn genedich Ljocht. 

Lit ús yn ús tinzen wêze mei slim siken en minsken dy’t it moeilik hawwe. Lit ús harren opdrage yn ús gebed.

Meta Valk



Lezen: Lukas 2, 1 – 20 en Micha 5, 1 – 3.
Bethlehem in Efratha. Sinds de herdersjongen David daar door Samuël tot koning
gezalfd was, bleven de verwachtingen aan een sterke man die de vijanden van de
Israëlieten het land uit zou vechten, aan die verder onbeduidende plek kleven.

Nu heeft mijn leermeester Oude Testament: professor doctor Adam van der Woude,
ontdekt dat het Bijbelboek Micha niet alleen maar woorden opneemt van de profeet
Micha, maar ook van de valse profeten die in zijn tijd de dreiging van de Assyriërs
probeerden te sussen met nostalgische beelden. Er zijn dus dialogen gevoerd in dat
boek tussen beide partijen en niet altijd is duidelijk wie wat gezegd moet hebben.
Zoveel is wel duidelijk: de Assyriërs hebben het Noordrijk wel degelijk verwoest en de
bevolking over vele volkeren verspreid. Het Zuidrijk heeft het langer volgehouden en
werd, zo willen de verhalen, pas onder de voet gelopen toen Nebukadnessar de tempel
van Salomo in Jeruzalem verwoestte en de bevolking in ballingschap voerde naar
Babylon.

Lukas grijpt in zijn evangelie met Bethlehem ook weer terug op “het veld”: Efratha,
waar die herders nog steeds de schapen weidden, en op “de stad van David.” Dat
daarmee Bethlehem werd bedoeld en niet Jeruzalem, was voor die herders meteen
duidelijk. In beide Bijbelgedeelten wordt een redder beloofd en wordt vrede in het
vooruitzicht gesteld. Toch zullen ook ditmaal de stad en de tempel verwoest worden.
Misschien moeten we van het engelenkoor dan ook geen zoete kerstklokjesmelodieën
verwachten, maar strijdliederen met een pittige opdracht: Eer geven aan God doe je
door je in te zetten voor vrede onder de mensen.

Het koningsveld van Bethlehem
Augustus, de Verheev’ ne op zijn troon

gaf een bevel. ’t Was zijn onheilig streven

dat heel de wereld toen werd ingeschreven

in d’ eigen stad. Geen keus: het moest gewoon.


Geen mens bleef dus van dit bevel verschoond.

Maria uitgerekend? Om het even!

Uit Nazareth naar Bethlehem gedreven

schonk zij het leven daar toen aan een zoon.


Herders lagen die nacht in ‘t Koningsveld

van Efratha. De stad mocht klein dan blijken

– dat werd in ’t boek van Micha zo verteld –


uit haar zou heel het volk Goed Nieuws bereiken.

Die herders daar werd dat het eerst gemeld.

Zij snelden toe: zou ’t kind op David lijken?


Uit: “Weefwerk.” Margriet Tevonderen.


NB “ ‘t Koningsveld” is uiteraard een verwijzing naar deze gemeente, It Keningsfjild.