De Mande Bakkeveen

De Mande Bakkeveen

Historie

De Gereformeerde Kerk ‘De Mande’ van Bakkeveen werd in 1959 geïnstitueerd.

De gemeente van ‘De Mande’ is vooral door de import van bewoners naar Bakkeveen een geschakeerde kerkelijke gemeente. Mede doordat er nauwelijks sprake is van klassiek conservatieve gereformeerde tradities uit de 19e eeuw heeft zich een pluriforme gemeente ontwikkeld.

Een eigen kerk werd door zelfwerkzaamheid gebouwd en in 1962 in gebruik genomen. In de zomermaanden maken vele vakantiegangers gebruik van de recreatieve mogelijkheden van het dorp en zijn er gasten die deelnemen aan de kerkdiensten.

De gereformeerde kerk van Bakkeveen maakt deel uit van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN).

Ter gelegenheid van de fusie tussen de Hervormde Gemeente Opsterland Noord en de Gereformeerde kerk De Mande te Bakkeveen op 1 januari 2017 werd op de site gereformeerdekerken.info onder andere het volgende artikel geplaatst, geschreven door G.J. Kok. Het geeft een mooi historisch beeld van het ontstaan van De Mande.

https://gereformeerdekerken.info/2017/02/06/van-evangelisatiepost-naar-gereformeerde-kerk-bakkeveen-1890-1959/

Adresgegevens

De Mande

De Mande
Tsjerkewal 20
9243 KM Bakkeveen
0516-541114

Kosters

Thea Nicolai: tel. 06-51932361
email: germthea@kpnmail.nl

Nynke Veenstra: tel. 06-25229090
email: nveenstravb@gmail.com

Kunstwerk

Op het liturgisch centrum in De Mande hangt een voor Bakkeveen waardevol kunstwerk. Het doek had in 2015 een prominente plek in het Groninger museum.

“TENTOONSTELLING
Fie Werkman – Voetsporen
11 APRIL 2015 T/M 01 NOVEMBER 2015
In het Prentenkabinet werk van Fie (Sophia Gerharda) Werkman (Groningen 1915 – 2002 Groningen)

Net als haar vader Hendrik Nicolaas Werkman, was Fie Werkman autodidact. Hoewel Fie altijd ‘de dochter van’ zou blijven heeft dat haar niet weerhouden om ook zelf te bouwen aan een eigenzinnig oeuvre. Terugkijkend merkte Fie eens over haar vader op: ‘Niet dat hij me les heeft gegeven of heeft gezegd zo moet je het doen, maar ik heb me wel in zijn werk verdiept en gekeken hoe hij het deed. Als hij zo zat te schilderen was het die sfeer die dan in huis hing. Dat heb ik heel bewust ervaren en gedacht: zo wil ik later ook leven.’

Werkman werkte aanvankelijk op papier en maakte abstracte collages. Later ontstonden de zogenaamde stofassemblages waarbij in drukinkt gedrenkte zijde op een terlenka ondergrond werd bevestigd. Figuratie en abstractie wisselen elkaar af in weloverwogen en krachtige composities.

Een bijzonder werk in deze tentoonstelling is een grote stofassemblage; een voorstelling van een vallende man. Fie schonk dit doek in 2001 aan het dorp Bakkeveen vanwege haar ‘betrokkenheid op Bakkeveen en omgeving, door de ongewilde betrokkenheid van haar vader op Bakkeveen in zijn onvrijwillige dood.’ Voor Fie Werkman was dit werk een aanklacht tegen alle geweld.”

Chassidische legenden

Twee suites (series prenten) van H.N. Werkman

Hendrik Nicolaas Werkman (Leens 29 april 1882 – Bakkeveen 10 april 1945), drukker en schilder, had vanaf 1908 een eigen drukkerij. In 1917 begon hij met schilderen in een stijl die verwant was aan het expressionisme van de Groninger kunstkring De Ploeg, een stijl die getuigt van een zeer oorspronkelijke persoonlijke visie. In 1920 wordt hij lid van De Ploeg.

In de oorlog, reeds in het najaar van 1940, wordt hij benaderd door lerares Adri Buning, ds. August Henkels en chemicus Ate Zuidhof, die samen de kleine uitgeverij “De Blauwe Schuit” hebben opgericht. De bedoeling is opbeurende teksten te drukken en te verzenden naar vrienden en bekenden, om hen in deze moeilijke oorlogsomstandigheden een hart onder de riem te steken. De eerste tekst, het gedicht “Het jaar 1572” van Martinus Nijhoff, werd gedrukt door Werkman. Vanaf deze tijd vormen het drietal plus Werkman met zijn vieren: “De bemanning van de Blauwe Schuit”. De uitgeverij, waarvan Werkman de vaste drukker en (mede-) ontwerper werd, heeft tijdens de oorlog 40 uitgaven geproduceerd, waaronder twee suites van elk 10 “druksels” bij Chassidische legenden van/over Israel ben Eliëzer, de Baalsjemtow, herverteld door Martin Buber. Deze 2 suites van elk 10 druksels, die allemaal apart vervaardigd moesten worden, zijn de 2 grootste uitgaven van “De Blauwe Schuit”.
Al deze 40 uitgaven zijn onder verantwoordelijkheid van “De Blauwe Schuit” en ondertekend met de initialen HNW uitgegeven en openlijk via de normale postbezorging (!) op de gewenste adressen bezorgd.
Op 13 maart 1945 wordt Werkman door de Duitsers gearresteerd en op 10 april op het Mandeveld bij Bakkeveen met 9 lotgenoten doodgeschoten, 5 dagen voor de bevrijding van Noord-Nederland.

Vijfenveertig jaar na de bevrijding, op 4 en 5 mei 1990, was er een tentoonstelling met lezing over leven en werk van Werkman in de oude huishoudschool op het Allardsoog. Tegelijkertijd was er een tentoonstelling van de “Chassidische legenden” in de hervormde kerk. In de kerk hing ook “de vallende man”, een kunstwerk gemaakt door zijn dochter Fie Werkman. Omdat zij dit kunstwerk verbond met de plaats waar haar vader was doodgeschoten heeft zij het in 2001 aan het dorp Bakkeveen geschonken. Tot ongeveer 2012 heeft dit kunstwerk in het hervormde kerkje gehangen en sinds 2016 hangt het in De Mande.
Het is bijzonder dat kopieën van de 2 volledige suites in De Mande hangen. En straks in november, met terugkeer van “De vallende man”, voelt het alsof ze zonder voorafgaande bedoeling, eindelijk verenigd en compleet zijn.
Met de naam van Werkman op het monument in het Mandeveld, zijn graf met de opmerkelijke grafsteen op de begraafplaats, zijn bijzondere collectie druksels en “de vallende man” van zijn dochter Fie is Hendrik Werkman onlosmakelijk verbonden met Bakkeveen.

Wordt vervolgd, Gerke de Vries

CHASSIDISCHE LEGENDEN vervolg

In het vorige kerkblad schreef ik dat Martin Buber (1878-1965), Joods godsdienstfilosoof, Chassidische legenden heeft verzameld, herverteld en uitgegeven in o.a. de boeken “Chassidische Vertellingen” en “Chassidische Boodschap”.

Deze legenden (wonder-)verhalen, deden/doen de ronde in de Chassidische beweging binnen het Jodendom. Deze Chassidische beweging (Chassied betekend de Vrome), ontstond in de 2de eeuw voor Christus als antwoord op de aanpassing van het joodse geloof aan de heersende Griekse cultuur. Vrome Joden wilden hun geloof zuiver houden en richtinggevend voor hun leven. De leer van Jezus later, kwam grotendeels overeen met hun oproep tot radicale oprechtheid jegens God en medemensen.

Ca. 70 jaar na Christus verspreidde een groot deel van het joodse volk zich over m.n. het gehele Romeinse rijk en Oost-Europa. Velen leefden in kleine gemeenschappen in Joodse getto’s binnen reguliere dorpen en steden. In de loop van de geschiedenis werden ze meerder malen streng vervolgd, zoals in de Middeleeuwen in tijden van de Kruistochten. Met name in Oost-Europa waren veel Joodse gemeenten.

In de volgende eeuwen, maar m.n. vanaf de eerste helft van de 18de eeuw werden deze gemeenschappen geregeld geteisterd door zware vervolgingen (pogroms). Veel Joden vluchtten daardoor naar het westen en verder, naar o.a. Amerika. Die over bleven groepeerden zich rond een charismatische leider, Zaddiek (rechtvaardige). Deze leerde hen dat niet alleen door te bidden maar ook door Tora te doen, Gods geboden te praktiseren, zij de vreugde van Gods aanwezigheid konden ervaren en beleven in het dagelijks leven.

Binnen deze Chassidische gemeenten was ook een sterk verlangen naar de ene Messias, die allen zal redden en waren zij dagelijks op zoek naar het messiaanse in hun leven. Zo werd het gewone, Tora doen, in dienst gesteld van het bijzondere, Gods aanwezigheid ervaren. Deze vorm van spiritualiteit leidt de mens niet weg naar hogere sferen, maar verbindt hem in zijn gewone alledaagse leven met God. Op deze wijze kwam een vreugdevolle volksbeweging op gang, die antwoord gaf op hun mistroostige leven van discriminatie en achtervolging. In deze sfeer zijn de (wonder-)verhalen ontstaan, de z.g. Chassidische legenden. Ze werden verteld door de Chassidiem, de charismatische leiders, en gaan vaak over wonderbaarlijke uitreddingen uit benarde dagelijkse situaties of vertellen over hoe te leven met God en elkaar.

De grote leider van de chassidische beweging in Oost-Polen was Israël ben Eliëzer (1700-1760), de Baalsjemtov (meester van de goede leer). Van hem zijn veel van de verhalen bewaard. Het zijn een aantal van zijn legenden die Werkman hebben geïnspireerd tot zijn druksels voor De Blauwe Schuit en die nu ook in De Mande hangen.

Ben je geïnteresseerd in de verhalen bij de Chassidische prenten die in De Mande hangen, dan is het net uitgekomen boekje “Dansen over een kristallen brug”, door Ds. Jan Henk Hamoen, een aanrader. Alle prenten staan erin met het oorspronkelijke verhaal en uitleg van de auteur.

Eppie Dam heeft bij elke prent een gedicht gemaakt, wat het boekje een bijzondere uitgave maakt.

Gerke de Vries

Chassidische vertellingen bij de druksels van Werkman in De Mande

De Weerwolf en De kinderen in het bos

De eerste twee prenten vertellen samen eigenlijk één verhaal. Het verhaal van de spirituele 12-jarige Israël ben Eliëser, de latere Baal Sjem Tov, als beginnend geestelijk leider binnen de Joodse gemeenschap. Toen Israël 9 jaar was, zijn moeder was al gestorven, stierf ook zijn vader. Op zijn sterfbed gaf hij aan zijn zoon zijn zegen mee met de woorden: ”Mijn beminde zoon, gedenk al de dagen van je leven dat God met je is en je daarom voor geen ding ter wereld bang behoeft te zijn”. Deze woorden werden de leidraad in zijn leven. Israël is nu wees en wordt verder grootgebracht door de gemeenschap. Hij brengt veel tijd door in de natuur waar hij zich vrijer, veel beter thuis voelt dan in de armoedige huisjes van het getto in zijn stadje. Als Israël 12 jaar is wordt hij assistent van de leraar van de Synagoge. Hij leert de kinderen lezen en eenvoudige gebeden opzeggen. Verder doet hij allerlei klusjes in school en Synagoge. Omdat hij zich een verantwoordelijk assistent betoont, mag hij de leerlingen van huis halen en naar school en Synagoge brengen. Na de lessen moet hij ze dan ook weer thuisbrengen. Hij brengt ze echter niet rechtstreeks weer naar hun huizen maar maakt omwegen door de velden en de bossen en laat ze onderweg de liederen zingen die ze op school hebben geleerd. Het valt de inwoners van het stadje op dat de leerlingen niet meer met grijze gebukte hoofdjes door de straten lopen, maar met opgeheven hoofden, opgewekt zingend en met kleur op de wangen naar en van school en Synagoge gaan. Israël heeft de kinderen laten zien hoe mooi de ruimte en de natuur rondom het stadje is en hij maakte hen nieuwgierig om bomen, planten en dieren te leren (her)kennen. Als vanzelf gingen ze zich daardoor vrijer en blijer gedragen. Dit was geen bewuste vlucht uit hun oude bedrukte omgeving maar een spontane uiting van hun in de natuur opgedane ervaringen. De ontdekking van de grootsheid van Gods goede schepping deed ze beseffen dat je binnen het benauwde armzalige getto ook anders, vreugdevoller, als vrije en blije kinderen met elkaar en met de grote mensen kunt leven.

“Terug naar de natuur is in de joodse mystiek een mogelijkheid om God te ontmoeten!”

Het vervolg op dit verhaal komt in het mei-nummer.

Gerke de Vries

Chassidische vertellingen bij de druksels van Werkman in De Mande

De Weerwolf – Vaders en Zonen –

In het vorige kerkblad lazen we dat de latere rabbi Israël ben Eliëser, als 12-jarig hulpje van de leraar, de kinderen van de gemeente door de velden en de bossen naar en van school leidde. De kinderen gingen zich daardoor veel vrijer en blijer gedragen in het benauwde getto van hun stadje. Ze hadden de schoonheid van Gods goede schepping ervaren.

De legende vertelt dat de duivel zoveel blijdschap en vrijheid niet kon verdragen en een list verzon om hier een eind aan te maken. Midden in het bos woonde een oude kolenbrander, een houtskoolstoker. De duivel veranderde deze kolenbrander in een weerwolf, verwijderde zijn hart en plantte zijn eigen kwade hart in de weerwolf. Toen Israël de volgende morgen de kinderen vrij en blij zingend naar school leidde, sprong de weerwolf tevoorschijn en joeg de kinderen zoveel schrik aan dat ze alle kanten uitstoven. Velen raakten zodanig van de wijze en in paniek dat ze ’s nachts boze dromen hadden. Vanwege de paniek en angst van hun kinderen en het dreigende gevaar van de weerwolf, verboden de ouders Israël de volgende morgen de kinderen door velden en bossen naar school te leiden. En zo gebeurde. Maar na een paar dagen lukte het Israël de leiders van de gemeente en de ouders te overtuigen dat hij niet bang was voor de weerwolf en hem zelfs kon verslaan. Zo gingen de kinderen, wat bangig en voorzichtig, maar steeds blijer, weer zingend via velden en bos naar school. In het bos aangekomen springt plots de weerwolf tussen de kinderen, nog angstaanjagender dan de vorige keer. Maar Israël, zich bewust van zijn vaderlijke zegen, springt hem tegemoet, overweldigt hem en rukt hem zijn boze hart uit. Hij sprokkelt zijn bange kinderen weer bij-elkaar en brengt hen naar school. Maar de kinderen zingen niet meer, lopen met gebogen hoofden, verschrikt en bang achter hun jonge leider aan. Israël heeft dan wel gewonnen, maar de kinderen zijn wantrouwend en angstig geworden. Ze lijken nu op hun vaders en die hun vaders, het volle vertrouwen in hun jonge leider is verdwenen. De jonge Israël heeft hiervan geleerd dat alleen een overwinning van het kwaad niet voldoende is om mensen blijvend vrije mensen te laten zijn. Het ontbreekt nog aan een visioen, “de messiaanse hoop en verwachting op verlossing”. Ook is hem duidelijk geworden dat op dezelfde plaats waar je het geluk en de vrijheid vindt, je ook het kwaad, de tegenstand vindt en moet bestrijden.

Een paar dagen later hebben inwoners van het stadje, aan de rand van het bos, de dode kolenbrander gevonden, met een vredige en bevrijde uitdrukking op zijn gezicht. Hij was bevrijd van de weerwolf met zijn kwade hart.

Gerke de Vries

Chassidische vertellingen bij de druksels van Werkman in De Mande

De openbaring

De herberg in de Karpaten

Ook dit verhaal is in 2 prenten afgebeeld. Israël ben Eliëser, de latere Baäl Sjem Tov, is inmiddels 30 jaar geworden. In de joodse traditie is dat de leeftijd, waarop hij als leraar en leider naar buiten mag treden. Hij woont nu aan de voet van de Karpaten in een boerenherberg. Op marktdagen komen er boeren en kooplui, verder is het er stil. Vlak bij de herberg ligt een donkere berggrot waar hij zich voorbereidt op zijn roeping. Als er een gast komt, roept zijn vrouw, de waardin, hem luid met ‘Israël’ en dan helpt hij haar. Op een morgen verschijnt een wagen met rabbi Naftali. Op de afbeelding zien we de herberg in het zonlicht met daarvoor een gele vlakte. Op de achtergrond de hoge bergen van de Karpaten. Ook de wagen van de rabbi staat er. De frisse kleuren ademen een vredige rust. De rabbi heeft een vriend bezocht en het gesprek speelt nog door zijn hoofd. De vrouw roept ‘Israël’ en hij verschijnt in boerenkleding met een dikke riem en aardkleurige kaplaarzen. Hij heeft lang blond haar, dat onder zijn muts uitgolft. Aan voorhoofd en ogen ziet de rabbi dat deze man een jood is, maar het stoort hem dat hij geen keppeltje draagt. Hij benadert de waard niet erg vriendelijk, maar hij wordt wel allervriendelijkst bediend. Na een korte pauze in de herberg vraagt rabbi Naftali de herbergier de wagen klaar te maken om verder te reizen. Glimlachend antwoord de waard: ‘Het duurt nog 6 dagen voor het sabbat is, waarom blijft u hier niet om bij ons de sabbat te houden?’ De rabbijn reageert boos en rijdt meteen weg. Het gesprek met zijn vriend die hij bezocht heeft, kan hij niet meer voor de geest halen. Hij raakt helemaal in verwarring. Op hetzelfde ogenblik verbeeldt hij zich dat een reusachtige man in een jas van schapenvacht en met kaplaarzen heel ontspannen naar hem toe komt lopen. Dan geeft de rabbi direct een stevige ruk aan de teugels en de paarden gaan de weg terug naar de herberg. De herbergierster roept naar de rotsen en de man in boerendracht verschijnt en begroet de rabbi alsof hij hem voor het eerste ontmoet. Hij ziet hoe de waard de reizigers bedient en de paarden drenkt en alles weer z’n gewone gang gaat. Dan vraagt hij zich af wat er met hemzelf gebeurd is. Hij vermoedt dat zijn ogen vermoeid zijn geraakt door de prikkelende berglucht en dat hij daardoor een soort van zinsbegoocheling heeft gekregen. Hij besluit nog een nacht te blijven, goed te slapen en de volgende dag verder te gaan.

Wiebe Veenstra

Het vervolg van dit verhaal komt in het juli-augustus nummer.

Fotogalerij