Column

Oorlog en vrede

Op 5 mei vieren we bevrijdingsdag. Het zou wel eens de laatste keer kunnen zijn dat mensen kunnen zeggen: ‘Ik ben van ná de oorlog.’ Als zelfs, naar aanleiding van de huidige oorlogsdreiging, een doorgewinterde pacifist als Roel van Duijn zegt dat je juist ter voorkoming van oorlog bereid moet zijn om te vechten, wie ben ik dan om te zeggen dat we niet moeten investeren in de wapenindustrie? Duizenden jaren geleden riep Jesaja de mensen al op om zwaarden om te smeden tot ploegijzers, maar zover zijn we blijkbaar nog (lang) niet.

Draaien oorlogen niet ‘gewoon’ om geld, macht en ‘lebensraum’? Als het spannend wordt, sluiten we de rijen en scharen we ons achter de generaals. Als de oorlog voorbij is, gaan we het liefst opgelucht over tot de orde van de dag. Daarbij laten we na om ons te verdiepen in de voorwaarden om nieuwe conflicten te voorkomen. Tja, zo eenvoudig is dat blijkbaar niet. Er worden wel pogingen gedaan, maar daarbij staan vaak individuele (consumenten)keuzes centraal. Dat dat tot een betere wereld leidt, is een hardnekkig misverstand.

Ook Rutger Brechman maakt deze fout. Hij pleit ervoor dat mensen hun bullshit baan opzeggen en iets zinvols voor de wereld gaan doen. Brechman is opgegroeid in een warm christelijk gezin, zijn vader was dominee. Toch zwoer hij het geloof af en startte onlangs zijn pleidooi voor een individueel ‘moreel kompas’ zodat mensen het ‘goede’ gaan doen. Maar wát een bullshit baan precies is en hoe een goede samenleving eruitziet, dat zegt hij er niet bij. Dat kan ook niet, want daarover zijn de meningen sterk verdeeld. Denk alleen maar aan de partij die de laatste verkiezingen heeft gewonnen. Goddank zijn de vier formerende partijen het, tot op heden, nog nergens over eens geworden.

Vijf jaar na de Tweede Wereldoorlog zei de hoogbejaarde Henriette Roland-Holst het volgende: “Van de jeugd hangt de toekomst van de mensheid af. Wanneer zij dapper en vastberaden de goede paden inslaat, wanneer zij een gemeenschap wil gronden die de mensheid naar het ware geluk en naar de vrede brengt, dan is dat de grootste daad die de jeugd ooit in de geschiedenis heeft gedaan en dan zullen komende geslachten honderden en duizenden jaren haar dankbaar zijn.”

Roland-Holst overleed in 1952. Ze was naast dichter ook sociaal zeer bewogen en in de oorlog actief in het verzet. Na de oorlog straalde ze – tegen beter weten in? – optimisme uit. Ze vertrouwde op de jeugd die “voor het eerst afstand doet van egoïstische aanvechtingen maar uit liefde voor de mensheid haar werk kiest.”

Anno 2024 is het belangrijker dan ooit om de hand aan de ploeg te slaan en na te denken over hoe we wereldwijd vreedzaam kunnen samenleven.

Janneke Donkerlo

Rantsoenering in tijd van vrede

Het religieuze begrip barmhartigheid heeft bij mijn weten twee kanten: liefdadigheid en rechtvaardigheid. Liefdadigheid gaat over het direct helpen van iemand in nood, bijvoorbeeld een bedelaar; rechtvaardigheid gaat in dat geval over het oplossen van structurele armoede.

Inmiddels leven we in een wereld met schijnbaar onoplosbare problemen. Het goede nieuws is dat veel van die problemen waarschijnlijk met elkaar samenhangen. Dan denk ik aan de groeiende kloof tussen arm en rijk, klimaatverandering en milieuvervuiling. Het gevolg van hebzucht, een nare eigenschap die de afgelopen decennia is ontspoord in een onhoudbaar consumptiepatroon. Rupsje-nooit-genoeg wil altijd groter wonen, meer verdienen, verder reizen, vaker uit eten enz. Voor de één is dat weggelegd, voor de ander niet. Jammer dan. Shit happens, nietwaar? Is daar dan geen rechtvaardige oplossing voor?

Wellicht. Zo zouden we bijvoorbeeld als natie minder moeten vliegen. Klimaatactivisten wordt vaak hypocrisie verweten: wel actievoeren tegen fossiele subsidies maar daarna net zo gemakkelijk naar Tokyo of Australië vliegen? Van dat moralistische, opgeheven vingertje wordt niemand blij. Om van betutteling nog maar te zwijgen. We leven toch in een vrij land?

Maar die vrijheid wordt wel beperkt door wetten. Het feit dat we doorgaans niet door een rood stoplicht rijden, is niet omdat we uit eigen beweging solidair zijn met andere weggebruikers, maar omdat dat wettelijk zo is bepaald. We zullen ook ons consumptiepatroon drastisch anders moeten reguleren.

In het boek Das Ende des Kapitalismus pleit de Duitse Ulrike Herrmann voor een terugkeer – met behoud van de technische en medische verworvenheden van nu – naar het consumptiepatroon van 1978; een halvering ten opzichte van 2024. Niet op basis van vrijwilligheid, maar op basis van een puntensysteem. ‘Oei’, hoor ik u al denken. ‘Zeker net als in de Tweede Wereldoorlog?’ Ja, inderdaad, alleen dan niet tijdelijk, maar permanent.

Ik stel voor dat we beginnen met een puntensysteem voor vliegreizen. Eerst stelt de overheid vast hoeveel vlieguren Nederland te vergeven heeft op basis van milieu en klimaat. Die uren worden dan gelijkelijk over alle inwoners verdeeld: oud, jong, rijk, arm. Iedereen heeft recht op evenveel punten waarmee je naar eigen inzicht een ticket kunt kopen, bijvoorbeeld per vijf jaar tweemaal een continentale vlucht, of éénmaal een intercontinentale. Iemand die per se meer wil vliegen, moet punten bijkopen. En dat kan. Er zijn namelijk arme mensen die bijna nooit vliegen. Sterker nog, die niet eens geld hebben om op vakantie te gaan. Via een veilingsysteem kunnen rijke mensen dan punten kopen van mensen met een laag inkomen. Dat maakt vaker vliegen voor rijke mensen duurder en armere mensen kunnen zo hun inkomen aanvullen. Een dergelijk puntensysteem lijkt mij een rechtvaardige vorm van nivelleren. Vliegen op de bon? Ik zou zeggen: ‘Doen!’

Janneke Donkerlo

As-woensdag en de heilige Valentijn

Dit jaar vielen as-woensdag en Valentijnsdag op dezelfde datum: 14 februari. Voor het halen van een askruisje, voorafgaand aan de veertigdagentijd, was ik met een vriendin naar de Dominicuskerk in Amsterdam gegaan. Met zijn heiligenbeelden en prachtige schilderingen is het duidelijk een katholieke kerk. De Dominicanen behoren evenwel tot een van de meest progressieve kloosterorden. Bekende mensen als Jan Nieuwenhuis, Pater van Kilsdonk en Huub Oosterhuis waren er kind aan huis.
Op woensdagavond 14 februari was er een speciale dienst met een mooi ritueel, waarbij iedere bezoeker een oud palmtakje in een schaal legde. De takjes werden vervolgens in brand gestoken totdat er alleen nog as van over was. Daarna gingen we in een grote kring staan en tekende de voorganger met de as een kruisje op ieders voorhoofd.
In zijn preek memoreerde hij de heilige Valentijn. Blijkbaar heeft er in de derde eeuw echt ene Valentijn bestaan! Deze werd twee eeuwen later door de toenmalige Paus Gelasius op 14 februari heilig verklaard. Er is echter niet met zekerheid te zeggen wie deze historische figuur precies was. Zijn verhaal is waarschijnlijk een mix van feit en fictie.
Volgens de ene lezing was Valentijn een opstandige priester in Rome. De toenmalige Romeinse Keizer verbood jonge mannen om te trouwen met als argument dat jonge, ongetrouwde mannen betere soldaten waren. Vader Valentijn trouwde jonge stellen echter toch, in het geheim. Toen Valentijns ‘wangedrag’ werd ontdekt, liet de keizer hem onthoofden.
Volgens een andere lezing, die waar de voorganger in de Dominicus aan refereerde, zou Valentijn een heidense man hebben gehuwd met een Christelijke vrouw, iets wat strikt verboden was in Rome. Hij werd gesnapt en gevangengezet, waarop hij verliefd werd op de blinde dochter van zijn bewaker. En natuurlijk genas hij haar van haar blindheid, want dat deden heiligen in die tijd. Precies vijftien eeuwen later, in 1969, haalde de katholieke kerk Sint-Valentijnsdag van de liturgische kalender vanwege de gebrekkige informatie over de priester. En toen werd het dus het commerciële feest dat we nu kennen.
Op deze as-woensdag refereerde de voorganger ook nog even fijntjes aan de nog steeds curieuze houding van het huidige Rome. Tijdens het carnaval weigerde de pastoor van Itteren dit jaar om tijdens de traditionele vastelaovond een hostie uit te reiken aan een lesbisch ‘prinsessenpaar’. Zijn weigering leidde tot een storm van verontwaardiging in Limburg, maar het bisdom van Roermond toonde begrip voor de houding van de pastoor. Liefde blijft een lastig ding voor onder meer de Rooms-Katholieke kerk …
Inmiddels ben ik begonnen met vasten. Met veel dank aan de vrouwen van It Keningsfjild die onlangs in Amsterdam op bezoek waren en van wie ik de veertigdagenkalender cadeau kreeg. Ik zal er met liefde gebruik van maken.

Janneke Donkerlo

Waar is God?

 

Een grapje van mijn atheïstische vrienden is die over de Juf die de klas vertelt dat God overal is. Waarop een jongetje zijn vinger opsteekt en vraagt: ‘juf, is God dan ook in onze achtertuin?’ En de Juf antwoordt: ‘Ja, hoor, ook in jullie achtertuin.’ Het jongetje, triomfantelijk: ‘Dat kan niet juf. We wonen driehoog, we hebben helemaal geen achtertuin!’ Tja, het is ook wel heel lastig om ‘Ik zal er zijn’ een plek in het universum te geven.  Dat maakt het makkelijk scoren voor mensen die geloven belachelijk willen maken. We kunnen alleen stamelen als het over God gaat. Toch wil ik hierbij graag twee schrijfster aanhalen die mij inspireren en bij de les houden.

De eerste is de Joodse Etty Hillesum, die de tweede wereldoorlog niet overleefde. Onlangs verscheen haar biografie van schrijfster Judith Koelemijer: ‘Etty Hillesum, het verhaal van haar leven’. Koelemijer zet de door depressies geplaagde Hillesum neer als mens van vlees en bloed, compleet met de bekende twijfels en tekortkomingen. Geen heilige dus. In de oorlog begon zij een dagboek bij te houden. Op een dag bidt ze tot God dat zij toch maar geen snippertje van haar innerlijk zou verliezen aan haat. Daarbij richtte zij haar blik niet tot de hemel, maar naar binnen. Ze schrijft in haar dagboek: ‘Ik heb God weer gedankt, niet voor het warme bed en de erwtensoep, maar daarvoor, dat hij in mij wil wonen.’ Die innerlijke ruimte bleef zij tijdens de oorlog trouw, in weerwil van de groeiende haat en terreur om haar heen. Een ruimte, zo meende en hoopte zij, waar ze onder alle omstandigheden haar toevlucht zou kunnen nemen. Als in een stille, onverwoestbare kathedraal. Wat een prachtig beeld. Ik hoop dat zij inderdaad tot op het allerlaatste moment – toen zij in 1943 de gaskamer in werd gedreven – zich ‘in Gods armen’ heeft mogen bevinden.

De tweede schrijfster is Esther Gerritsen. Zij had een persoonlijke zoektocht nodig voor het schrijven van een roman (De Trooster, 2018) om uit de kast te komen als christen. Toen zij daarna, tijdens een lezing, ronduit erkende dat zij gelovig was, viel een sceptica haar daarop aan. Verbinding? A lá. Iets met ‘heelheid’? Nou vooruit. Maar geloven in God?! Daar kon ze zich he-le-maal niets bij voorstellen! Waar was die God dan? Waarop Gerritsen uitlegde: ‘God is de ruimte tussen u en mij. En die ruimte is misschien belangrijker dan wij. Daar word ik heel blij van.’

Voor mij persoonlijk geldt: stamelen dat God in het diepst van mijn innerlijk woont, of in de ruimte tussen mensen in, wat doet het ertoe? Het is voor mij allebei even waar en waardevol.

Janneke Donkerlo

Waarom het niet erg is dat we van mening verschillen

 

‘Voor ieder wat waars’ zo heet het laatste boek van filosoof Rob Wijnberg. Wat nu? Als journalist meende ik toch altijd dat feiten ertoe doen. Helaas. De aarde is echt rond en niet plat, maar daar denken 150.000 Nederlanders heel anders over. Zij staven dat met ‘feiten’ en je kunt lullen als Brugman, het is en blijft hun waarheid. Gelukkig komt Wijnberg met een waarheid die uitstijgt boven de controleerbare werkelijkheid. Hij wijst erop dat waarheid altijd een functie heeft. Een functie die met houvast te maken heeft.

Zo hielden mensen zich eeuwenlang vast aan de overtuiging dat wat in de Bijbel staat letterlijk waar was. En als ziekte of rampspoed je trof, was dat een straf van God. Tijdens de Verlichting ontdekte men echter dat de fysieke werkelijkheid onderzocht en in kaart gebracht kon worden. De natuurwetenschap werd het nieuwe houvast en dat heeft ons veel welvaart gebracht. Maar ook wetenschap heeft zo zijn grenzen. Inmiddels is ‘de waarheid’ verworden tot een consumptiegoed: zoveel belangen, zoveel meningen, zoveel waarheden. De individuele bril waarmee iemand naar de wereld kijkt, bepaalt nu wat waar of niet waar is. Vandaar de titel ‘Voor ieder wat waars’. Dit heeft anno 2023 de samenleving er alleen niet toleranter en inclusiever op gemaakt.

Daarom wijst Wijnberg op drie universele waarheden die ons met elkaar verbinden. Ik beschouw ze als een heilige drie-eenheid, een religieuze onderstroom in seculiere tijden. De eerste waarheid is dat mensen van nature zorgzaam zijn. De tweede is dat mensen altijd samenwerken: we moeten wel, in ons eentje komen we niet ver. De derde pijler is de onzichtbare consensus: als puntje bij paaltje komt zijn we het eerder met elkaar eens dan oneens. Deze drie universele waarheden vormen een weefsel, wereldwijd. Een weefsel dat niet louter draait om individuele behoeftebevrediging.

Nu valt daar wel wat op af te dingen. Want als het zo eenvoudig was, zou er geen oorlog of onrecht zijn. Maar omstandigheden en perverse prikkels maken dat mensen niet altijd zorgzaam zijn of met elkaar samenwerken. En dat leidt tot onrecht. Zoals sommige artsen, die na jarenlange uitholling van de geestelijke gezondheidszorg opperen om psychiatrische patiënten dan maar te euthanaseren, zelfs als zij helemaal niet dood willen. Het stond onlangs in de NRC, ik verzin het niet!

Maar toch, Wijnbergs verbindende weefsel biedt wel hoop en stemt mij milder ten opzichte van mensen met – in mijn ogen – rabiate opvattingen. Zoals ik ook blijf hopen op Gods Koninkrijk, ook al hebben we nog een hele weg te gaan. Ik wens iedereen vast fijne feestdagen, een goed uiteinde en een verbindend 2024.

Column van Janneke Donkerlo