Meditatie

Abraham en Sarah ontmoeten god als persoon
“Abraham zag drie mannen staan bij de ingang van zijn tent. Hij zag hen, rende hen tegemoet en maakte een buiging. Tegen God zei hij: Mijn HEER, indien ik gunst verworven heb in Uw ogen, reis mij niet voorbij. (Tot de drie gasten) zei hij: ik zal water voor jullie halen.”. (Genesis 18: 2-4).
Afgelopen zaterdag nog zei de jonge cabaretier Tim Fransen in Trouw dat het Heilige of het Goddelijke ‘onaantastbaar’ is. Geen gesprek, geen humor, geen kritiek is mogelijk. Zijn aloude opvatting is dat wat wij goddelijk noemen, ook het hoogste en belangrijkste is. Door de eeuwen heen van mensengeschiedenis is dit goddelijke of allerhoogste van vorm of naam veranderd. Dat wat mensen als zeer machtig ervaren, heette goddelijk. Zo was de zon goddelijk, of een keizer van een wereldrijk. Mensen maken vervolgens voorwerpen om deze macht een vorm te geven. Liefst kostbare voorwerpen van zilver en goud. Soms verwijst het voorwerp naar een stam, volk, natie of religie. De aanbidding van deze onpersoonlijke voorwerpen en goddelijke krachten leidde ertoe dat mensen zelf uiteindelijk minder menselijk worden. Aanbidding van het onpersoonlijke maakt ons kennelijk onpersoonlijk. Mensen werden gemakkelijk geofferd voor het Heilige of voor het idee, zoals vandaag de dag nog steeds.
Abraham en Sarah doen in Genesis 18 precies de omgekeerde ontdekking.
Eerst (vers 1) verschijnt God aan Abraham (JHWH). De vier letters van de godsnaam worden gebruikt. Vervolgens blijken ook drie mannen bij de ingang van de tent te staan (vers 2). Drie gasten komen langs bij de tent van Abraham en Sarah. Veel discussie is er vervolgens over vers 3. Tegen wie spreekt Abraham? Tegen de drie gasten, of tegen God? Ik volg de letterlijke interpretatie. Abraham spreekt tegen God als Mijn HEER, als een persoon. Hij zegt: Wacht even God. Ik ga nu de drie gasten water geven en eten. Daarna spreek ik U weer. Daarmee doet Abraham een wezenlijke ontdekking. Voor de concrete daad van medemenselijkheid in het geven van water en voedsel op een snikhete dag, wil God wel even wachten. Daarna is er weer ruimte om te spreken met God over recht en gerechtigheid. Omdat God als een persoon even kan wachten, daarom wordt menselijke waardigheid ontdekt. Zijn u en ik ‘heilig’, gewone mensen, die dragers zijn van menselijke waardigheid. Vergeving, gastvrijheid, menselijke waardigheid gaan zelfs boven de Allerhoogste, omdat God als persoon even kan wachten, totdat Abraham en Sarah de drie gasten water en voedsel geven. Jezus zal in Mattheus 25: 31vv deze actuele boodschap vernieuwen. Daar legt Jezus uit dat het verrichten van daden van menselijke barmhartigheid, zoals de hongerigen voeden, zin geeft aan het leven. Zo’n leven verbindt met een persoonlijke God en bevrijdt ons van de ‘hel’ van het onpersoonlijke.
Ds. Jak Verwaal